foto: www.sxc.hu

De kunst van het vragen (II): Dilts

Je kunt op verschillende manieren naar vragen kijken. Eerder bleek Schein vragen te onderscheiden aan de hand van de richting die je ermee opgaat: verkenning, diagnose, alternatieven of confrontatie.

Dit vervolgartikel gaat over de benadering van Dilts. Wanneer mensen problemen ervaren met een situatie en hun rol daarin, kun je hen helpen door na te gaan:

    • wat ze weglaten:
      • bijv. informatie die ontbreekt, zodat een gevoel of bewerking weinig specifiek is
      • of referenties die ontbreken, zodat onduidelijk is waarom iets een vraag of probleem is;
    • welke algemeenheden ze uitspreken:
      • bijv. uitzonderingen uitsluiten, keuzemogelijkheden uitsluiten of impliciete aannames doen;
    • welke vervormingen ze hanteren:
      • bijv. ongerijmde uitspraken doen, zoals iemands gedachten kennelijk kunnen lezen
      • of verbanden leggen die nergens op gebaseerd lijken te zijn.

Door te vragen naar ontbrekende informatie, generaliseringen en vervormingen maak je mensen bewust van hun manier van denken en praten. Dit zorgt voor inzicht in de manier waarop zij situaties of problemen ‘maken’, d.w.z. in hun hoofd opbouwen.

Bij weglatingen gaat het om:

    • beweringen met ontbrekende of onvoldoende informatie
    • verwijzingen naar iets zonder een criterium (bijv. ‘minder’, wat de vraag oproept: minder dan wat?)
    • onvoldoende persoonlijk zijn (bijv. ‘zij’, ‘men’, ‘de leiding’)
    • onvoldoende precies zijn (het hoe, wat, wanneer ontbreekt)
    • doen alsof een actie of een proces een ding is (bijv. ‘de afhandeling schrijft voor dat…’)
    • beweringen met ontbrekende of onvoldoende informatie

Voorbeelden van bijbehorende vragen:

– Iemand zegt: Ik ben erg geïrriteerd.
Je kunt vragen: Waarover? Over wie?
Wat je daarmee bewust maakt: Weggelaten informatie.

– Iemand zegt: Het is beter om niets te zeggen.
Je kunt vragen: Beter dan wat, specifiek? In vergelijking met wat?
Wat je bewust maakt: De gebruikte standaard.

– Iemand zegt: Mensen leren niet.
Je kunt vragen: Welke mensen specifiek?
Wat je bewust maakt: Op wie/wat de verklaring betrekking heeft.

– Iemand zegt: Ik heb moeite met communiceren.
Je kunt vragen: Hoe specifiek heb je moeite, wanneer, waarmee?
Wat je bewust maakt: Informatie over situatie, activiteit, relatie.

– Iemand zegt: Ik stopte met de relatie.
Je kunt vragen: Wie is specifiek aan wie gerelateerd, hoe en met betrekking tot wat?
Wat je bewust maakt: Het woord relatie wordt omgezet in een werkwoord.

 

Bij generalisaties gaat het om:

    • spreken alsof er geen keuze is
    • impliciete aannames
    • brede algemeenheden die uitzonderingen of alternatieven uitsluiten (bijv. altijd, nooit, iedereen, niemand)

Voorbeelden van bijbehorende vragen:

– Iemand zegt: Mannen mogen geen emotie tonen.
Je kunt vragen: Als ze dat nou wel deden?
Wat je bewust maakt: Gevolgen, verantwoordelijkheid voor de regel of grens.

– Iemand zegt: Ik kan geen presentatie houden.
Je kunt vragen: Wat houdt je tegen?
Wat je bewust maakt: Oorzaak van de symptomen.

– Iemand zegt: Als hij wist hoezeer ik gekwetst ben, zou hij niet zo reageren.
Je kunt vragen: Hoe weet je dat hij het niet weet?
Wat je bewust maakt: De manier van omgaan en de relatie die verondersteld worden.

– Iemand zegt: Zij heeft altijd kritiek.
Je kunt vragen: Altijd? Is er nooit een situatie geweest waarin ze geen kritiek had?
Wat je bewust maakt: Uitzonderingen en tegenstrijdigheden.

– Iemand zegt: Niemand vertelt de waarheid.
Je kunt vragen: Wat zou er gebeuren als…?
Wat je bewust maakt: Alternatieve keuze(s).

 

Bij vervormingen gaat het om:

    • stilzwijgend uitgaan van oorzaak-gevolgrelaties
    • doen alsof je gedachten kunt lezen en de gevoelens van een ander kent
    • doen alsof er gelijkwaardigheid is
    • niet duidelijk maken waarop iets gebaseerd is

Voorbeelden van bijbehorende vragen:

– Iemand zegt: Haar toontje maakt me kwaad.
Je kunt vragen: Hoe komt het dat je daar boos over wordt?
Wat je bewust maakt: Het logische verband dat men kennelijk legt, oorzaak/gevolg.

– Iemand zegt: Hij geeft niet om mij.
Je kunt vragen: Hoe weet je dat?
Wat je bewust maakt: Hoe je dat kunt weten en hoe absoluut dat weten is.

– Iemand zegt: Hij doet het niet goed op zijn werk, hij heeft een leerprobleem.
Je kunt vragen: Als jij het slecht doet op je werk, betekent dat dan ook dat je een leerprobleem hebt?
Wat je bewust maakt: Controle van de betrouwbaarheid van het verband (oorzaak/gevolg) en waarop dat gebaseerd is.

– Iemand zegt: Het is egoïstisch om aan jezelf te denken.
Je kunt vragen: Volgens wie?
Wat je bewust maakt: De bron en de criteria van het oordeel.

 

Tot zover Dilts. Eigenlijk een chique vorm van: ik zie, ik zie wat ik niet zie 😉
Ik ben van plan in volgende artikeltjes aandacht te besteden aan Feltmann, Harrison en Hoebeke.
Schein kwam dus eerder al aan de orde met zijn indeling in verkenning, diagnose, alternatieven en confrontatie.
De teksten zijn grotendeels van de hand van Adrie van den Berge die gul allerlei materiaal ter beschikking heeft gesteld. Met zijn toestemming deel ik het hier graag met jullie; ik schrijf er soms wat omheen en geef er een reflectieoefening bij.

Reflectieoefening

    1. Schrijf tenminste één A4-tje vol over een lastige situatie die jou momenteel bezighoudt. Schrijf vrijuit, zonder rekening te houden met de indeling en vragen van Dilts.
    2. Lees je tekst door vanuit de drie perspectieven van Dilts, d.w.z. ga op zoek naar weglatingen, generalisaties en vervormingen. Terwijl je dat doet, maak je een lijstje van vragen die bij je opkomen in de trant van de hierboven gegeven voorbeelden. Bevraag jezelf alert, lees nauwkeurig en wees nieuwsgierig. Doe vooral niet alsof alles logisch is wat je geschreven hebt, maar stel het ter discussie.
    3. Kijk naar je lijstje met vragen en kies drie vragen uit waar je het meest door geprikkeld wordt.
    4. Beantwoord deze vragen al schrijvend. Houd je pen in beweging, noteer kritiekloos wat er in je opkomt en als je even blokkeert, herhaal je het laatste woord totdat er weer een nieuwe gedachte komt. Doe dit 5 minuten per vraag, dus in totaal 15 minuten.
      => Mogelijkheid tot verdieping: als je wilt, kun je ook deze tekst weer doorlezen vanuit de drie perspectieven van Dilts en daarmee stap 2 t/m 4 herhalen.
    5. Lees terug wat je bij stap 4 geschreven hebt, ook weer met een alerte en onderzoekende houding, en maak dan de volgende open zinnen af met elk ongeveer 7 regels tekst:
      • Wat me opvalt…
      • Als een ander dit geschreven zou hebben, zou ik zeggen…
      • Iets waar ik eerder geen rekening mee  hield…
      • Het lijkt me dat een oplossing gezocht kan worden in de richting van…
      • Wat ik wil proberen, is…

 

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *