www.sxc.hu, spydermurp

Schrijfcafé op 6 juli begeleid door Anja van der Starre

Net als vorig jaar begeleidt Anja van der Starre weer een zomers Schrijfcafé van de Papieren Spiegel.

Er was even sprake van dat ik zelf op 13 juli het Schrijfcafé zou begeleiden, maar dat is dus veranderd in: vrijdag 6 juli door Anja.

Anja van der Starre is onder andere bekend van haar schrijfworkshops over rouwverwerking. Het Schrijfcafé zal rouw niet als onderwerp hebben, want daar leent de setting zich niet voor. Welk lichtvoetiger thema Anja je dan wél zal aanreiken? Dat is een verrassing. Maar een prettige en inspirerende begeleiding is gegarandeerd 🙂

Het Schrijfcafé is tegenwoordig in hotel Ara in Zwijndrecht. Een prachtige locatie in een natuurgebied aan de Oude Maas, niet ver van de A16, uitstekend te bereiken met de auto en je kunt er gratis parkeren.
Als je met het openbaar vervoer komt, is NS-station Zwijndrecht het meest dichtbij, maar je moet vandaar wel met een taxi of met de (OV-)fiets. Soms is het mogelijk dat je opgehaald wordt bij station Zwijndrecht. Als je dat zou willen, neem dan even contact met me op.

Je bent van harte welkom.

 

.

Foto: www.sxc.hu, spydermurp

 

 

 

Oefening van de maand

Er is weer een nieuwe oefening van de maand.

In mei is het thema: Oorlog en vrede.
Mei is met Dodenherdenking en Bevrijdingsdag bij uitstek een tijd om stil te staan bij oorlog en vrede. Deze woorden kunnen van alles betekenen. Je kunt ermee terugkijken op de oorlog en vrede van toen, maar je kunt ook naar het heden kijken en zelfs naar jezelf. Het zijn grote begrippen die misschien ineens iets kleins en concreets in zich blijken te bergen.

 

Veel inspiratie toegewenst.

.

 

 

.

.

 

Het Schrijfcafé is verhuisd naar Zwijndrecht

In februari is het Schrijfcafé van de Papieren Spiegel verhuisd naar Hotel Ara in Zwijndrecht.

In 2009 begon het Schrijfcafé van de Papieren Spiegel in het Kunsthalcafé in Rotterdam. In 2011 verhuisden we naar Hotel Ridderkerk. En nu, sinds februari jl., schrijven we in Hotel Ara in Zwijndrecht.

De eerste ervaringen in Hotel Ara zijn zeer positief. We zitten in een rustige hoek achter in het restaurant met prachtig uitzicht op de Oude Maas. Hartelijke ontvangst, heerlijke koffie, wat wil een mens nog meer.

Hotel Ara ligt prachtig in een natuurgebied, niet ver van de A16, het is uitstekend te bereiken met de auto en je kunt er gratis parkeren.
Als je met openbaar vervoer komt, is NS-station Zwijndrecht het meest dichtbij, maar je moet vandaar wel met een taxi of met de (OV-)fiets. Of we spreken af dat ik je ophaal bij NS-station Barendrecht en dan rijden we samen naar Ara. Je ziet, geen argument om niet te komen!

Je bent van harte welkom.

 

 

.

foto: www.hotelara.nl

 

 

 

 

reflectief schrijven

Helend schrijven

Geertje van Rossum, een trouwe bezoekster van het Schrijfcafé in Ridderkerk, heeft een mooi bericht geschreven op haar weblog: Helend schrijven in de kroeg.
Zo reist het schrijven door de wereld!

Geertje, alle goeds toegewenst als je jouw schrijfbijeenkomsten weer oppakt. Op je weblog zal er vast meer over te lezen zijn als het zover is.

 

 

Schrijfcafé: varianten op een lentegedicht

In het Schrijfcafé hebben we onder andere een oefening gedaan met het gedicht Zo’n dag van Atze van Wieren. (Even naar beneden scrollen op de pagina met Lentegedichten, dan zie je het in de rechterkolom staan.)

De opdracht was:

  • 1. Lees het gedicht aandachtig en maak een lijstje van herinneringen en associaties die bij je opkomen naar aanleiding hiervan. Heb jij wel eens zo’n dag of moment meegemaakt? Of roept het een verlangen bij je op?

  • 2. Kies één item uit je lijstje waar je verder op in wilt gaan.

  • 3. Schrijf er 10 minuten over: probeer zo gedetailleerd mogelijk te beschrijven wat je herinnering of associatie is. Wat zie je precies voor je? Schrijf in de ik-vorm en in de tegenwoordige tijd. Houd je pen in beweging en volg de gedachten die in je opkomen. Als je het even niet meer weet, herhaal je het laatste woord totdat er weer een nieuwe gedachte komt.

  • 4. Lees je tekst terug en onderstreep (delen van) zinnen die je mooi vindt.

  • 5. Maak je eigen variatie op het gedicht van Atze van Wieren. Dat doe je door de structuur aan te houden van de drie coupletten die beginnen met ‘Zo’n dag’, steeds gevolgd door vier regels tekst. Voor die vier regels tekst kun je gebruik maken van de (delen van) zinnen die je in stap 4 onderstreept hebt.

 

Hoewel het in het Schrijfcafé niet gaat om het maken van mooie teksten, leidde deze oefening toch verrassend snel tot prachtige gedichten. Het hóeft niets te worden, maar het werd van alles 🙂

Als je erbij was (of als je deze oefening later doet) en je wilt jouw gedicht delen, zet het dan in een reactie onder dit bericht. Het zou leuk zijn om hier allerlei varianten terug te zien!

.

 

Zomaar schrijven helpt niet. Wat wel?

Het is een goedbedoeld advies: “dat moet je eens opschrijven”. Of: “schrijf het maar van je af”.

In coachingsgesprekken en opleidingen klinken varianten als “maak een reflectieverslag” en “schrijf je leerervaringen op”.

Makkelijker gezegd dan gedaan.

Voor je het weet zit je tijden braaf te schrijven en is het nog niet goed. Je reflecties zijn niet concreet genoeg. Of juist té concreet, te verhalend. Je wilde schrijven om op te fleuren, maar je bent na afloop meer in mineur dan voorheen. Op z’n best ben je er weinig mee opgeschoten. Er staat een klaagzang op papier. Of een brij gedachten. Kringetjes uit je hoofd nu op het papier. En dan?

Is het schrijven dan niets voor jou? Werkt het niet? Kún je het niet?

Dat is een te snelle conclusie.

Waarschijnlijk heb je te weinig gericht geschreven, te weinig methodisch. Er zijn namelijk allerlei schrijftechnieken en ze werken verschillend: een sprintje is bijvoorbeeld intuïtief en associatief, terwijl een kolommenwerkblad structuur geeft en je ratio aanspreekt. Een open zin laat je ingaan op het eerste wat in je opkomt, terwijl een lijstje of een gedachtenwolk je ruimte geeft tot kiezen. Zo zijn er nog veel meer technieken en het doet er toe welke je kiest.

En de insteek – of zo je wilt, de opdracht – waarmee je zo’n techniek inzet, maakt ook veel uit. Zo is een open zin een goede manier om je aandacht te richten, maar richt je dan wel voldoende precies? Vergelijk eens de volgende drie zinnen:

  • – Wat ik van mijn project vind, is…
  • – Wat ik leuk vind aan mijn project, is…
  • – Wat ik leuk vind aan mezelf in dit project is…

Of deze vier:

  • – Wat ik leer in mijn project is…
  • – Wat ik als vakman/vakvrouw leer in mijn project is…
  • – Wat ik in het contact met anderen leer in mijn project is…
  • – Wat ik op persoonlijk/emotioneel niveau leer in mijn project is…

De open zinnen gaan allemaal over jou en je project, maar ze geven steeds een andere kijkrichting.

Reflectievragen zijn ook zo’n richt-instrument. De vraag “wat treft je het meest” of “wat valt je op” kan naar positieve en negatieve dingen leiden, anders dan bijv. “waar ben je het meest dankbaar voor of blij mee” of “waar zit de meeste pijn en moeite”.

Met de vraag “wat heb je geleerd” kijk je terug en met “wat wens je jezelf nu toe” kijk je vooruit. Je kunt zelfs twee kanten tegelijk op kijken als je je afvraagt: “wat heb ik de afgelopen tijd geleerd dat ik de komende tijd goed kan gebruiken”. (Vragen zijn trouwens geweldige instrumenten, zie ook de blogjes over Hoebeke,  HarrisonDilts en Schein. Maar dit terzijde.)

Zie je ‘m al ontstaan, de waaier aan mogelijkheden?

Talloze schrijftechnieken x talloze richtingen = oneindige ruimte.
Hoe ga je die ruimte effectief verkennen?

Er ligt zoveel ruimte voor je open als je wilt reflecteren, leren, groeien, verdiepen, onderzoeken.

Zomaar schrijven is als schieten met hagel met je ogen dicht en hopen dat je raakt wat je wilde. Natuurlijk lukt het soms. En natuurlijk is het sowieso een moment voor jezelf. Het feit dát je bent gaan zitten, doet al veel. En als je de brij terugleest, zie je er heus wel iets in blinken, zeker als je het schrijven een langere tijd volgehouden hebt.

Maar als je een schrijftechniek hanteert die past bij je doel en er bewust een richting mee kiest, is je trefkans zoveel groter. Je plezier, diepgang, pijn, troost, leereffect of inzicht navenant ook.
Daarmee heb je goud in handen, voor je eigen ontwikkeling en voor anderen die je begeleidt.

.

.

.

Foto: www.sxc.hu, Lize Rixt

 

 

 

 

 

 

foto: www.sxc.hu

De kunst van het vragen (IV): Hoebeke

Vragen zijn interventies. Ingrepen in een gesprek en in een gedachtegang – meer of minder sturend van aard, meer of minder bewust gesteld, maar toch ingrepen.

Er is veel geschreven over soorten vragen en wat ze doen. Schein onderscheidt vragen aan de hand van de richting die je ermee inzet: verkenning, diagnose, alternatieven of confrontatie. Dilts gebruikt vragen om mensen te laten zien wat ze niet zien: weglatingen, algemeenheden en vervormingen. Harrison noemt vijf niveaus van oppervlakte naar diepte.
Deze keer kijken we naar wat Luc Hoebeke erover te zeggen heeft.

Organisaties hebben geen problemen, maar de mensen die er werken wel. Dat stelt Luc Hoebeke, en daar is hij overigens niet uniek in. Wel in hoe hij ‘problemen’ defini­eert. Naar zijn overtuiging drukt zich in problemen een dilemma uit waar ‘verlangen’ en ‘vrees’ deel van uit maken. Een helper probeert dat dilemma met de ander door te werken en zal dus vooral vragen stellen die betrekking hebben op dat verlangen en de ermee gepaard gaande vrees.

Verlangen

  • –  iemands ambities of drive
  • –  wat iemand graag zou willen doen
  • –  hoe iemand zou willen zijn
  • –  wat iemand een ander zou willen zeggen

Vrees

  • –  waar iemand aan denkt bij dergelijke verlangens
  • –  wat iemand terughoudt
  • –  welke fantasieën iemand heeft
  • –  welke ervaringen de vrees en fantasieën voeden
  • –  wat iemand anderen heeft zien overkomen

De kunst is hier niet alleen om vragen te stellen, maar ook en vooral te luisteren naar hoe verlangen en vrees doorklinken in wat je als helper hoort. Interveniëren betekent hier ook dat je verwoordt wat je hoort.

Deze tekst is gebaseerd op de syllabus ‘Vragen staat vrij’ door Adrie van den Berge, met als basis o.a. een destijds ongepubliceerd artikel van Hoebeke. Adrie heeft allerlei materiaal ter beschikking gesteld en met zijn toestemming deel ik het hier graag met jullie; ik verander er soms wat aan, schrijf er een beetje omheen en geef er een reflectieoefening bij.

In eerdere stukjes kwamen ScheinDilts en Harrison aan de orde; deze serie over vragen zal in een volgend stukje afsluiten met inzichten van Edu Feltmann.
.

Reflectieoefening

    1. Vergeet even wat Hoebeke zegt. Schrijf vrijuit, vanuit je eigen gedachtegang en ongestructureerd, 3 A4-tjes vol over een een probleem of dilemma waar je momenteel mee zit. Schrijf snel en mijmerend, d.w.z. volg je gedachten en schrijf kritiekloos op wat er in je opkomt. Houd je pen in beweging. Als je blokkeert, herhaal je het laatste woord totdat er een nieuwe gedachte komt.
    2. Lees welke aspecten volgens Hoebeke horen bij ‘verlangen’. Lees daarna je tekst uit stap 1 door en markeer met een kleur alle woorden, passages of flarden die horen bij jouw verlangen in deze kwestie.
    3. Verdeel een blanco pagina in twee kolommen.
    4. Wat valt je op als je naar de fragmenten over verlangen kijkt (uit stap 2)? Schrijf daar iets over op in de linkerkolom.
    5. Lees welke aspecten volgens Hoebeke horen bij ‘vrees’. Lees daarna je tekst uit stap 1 nogmaals door en markeer met een andere kleur alle woorden of flarden die horen bij jouw vrees in deze kwestie.
    6. Wat valt je op als je naar deze fragmenten over vrees kijkt? Schrijf daar iets over op in de rechterkolom.
    7. Kijk rustig naar je kolommen: verlangen en vrees, naast elkaar. Is er iets waar je over door wilt mijmeren? Komt er een vraag bij je op? Schrijf erover door, op dezelfde mijmerende manier, bijvoorbeeld 10 minuten.
    8. “Heb je vragen lief. Leef je vragen, dan leef je misschien ongemerkt het antwoord in.” Dit is een fragment uit een gedicht van Rilke. Heeft dit advies je iets te zeggen over jouw verlangen en vrees? Schrijf er iets over op.
    9. Lees onderzoekend, zonder waarde-oordeel, terug wat je bij stap 7 en 8 geschreven hebt en maak dan de volgende open zinnen af met elk ongeveer 7 regels tekst:
      • Wat me opvalt…
      • Mijn verlangen gaat ten diepste over…
      • Mijn vrees gaat ten diepste over…
      • Wat me helpt…
      • Als ik me afvraag ‘hoe verder?’, dan…

 .

 

Tips voor de veertigdagentijd

De veertig dagen voorafgaand aan Pasen zijn van oudsher een tijd van inkeer en bezinning. Vorig jaar bood ik een programma aan dat daarmee te maken had: “Ruimte maken in 40 dagen”.
Dit jaar ontbreekt mij helaas de tijd ervoor, hopelijk kan ik volgend jaar opnieuw iets maken. Maar er zijn natuurlijk genoeg andere initiatieven waar je inspiratie uit kunt putten, bijvoorbeeld:
.

.

Ik wens je een zinvolle en vruchtbare veertigdagentijd toe.

Als je zelf andere tips hebt, kun je ze hieronder delen; dat zou leuk zijn.

 

foto: www.sxc.hu

Tips, oefeningen en inspiratie van Schrijven Magazine

Een mooie aanbieding van Schrijven Magazine: korting op het abonnement en drie cadeaus. En vervolgens een jaar lang schrijftips, inspirerende voorbeelden en uitgewerkte workshops in elk blad dat je ontvangt. Je komt altijd weer op nieuwe ideeën. De aanbieding geldt tot maandag 23 november, 16.00 uur:

Ontdek je schrijftalent!

Zelf schrijven? Dan lees je Schrijven Magazine. Boordevol schrijftips, trucs, oefeningen, workshops & heel veel inspiratie. Bekende schrijvers vertellen over hun schrijfrituelen, je ontdekt waarom schrijven goed voor je is en natuurlijk leren we je alles wat je moet weten over dialoog, plot, personage & nog veel meer!

Schrijfles van Adriaan van Dis!
In het winternummer van Schrijven Magazine geeft Adriaan van Dis schrijfles, je leest je het verhaal van thrillerauteur Judith Visser die werd gedumpt door haar uitgever, en daarna eindelijk vrij was te schrijven wat ze wilde, je ontdekt de ins & outs van het vertelperspectief en natuurlijk krijg je weer heel veel schrijftips en schrijfoefeningen!

Het winternummer niet missen? Neem dan vóór maandag 23 november 16:00 uur een abonnement.
1 jaar Schrijven Magazine voor slechts € 26,50 (i.p.v € 36,-) én 3 cadeaus t.w.v. minimaal € 45,40.

 

foto: www.sxc.hu

De kunst van het vragen (III): Harrison

Er valt veel te zeggen over soorten vragen en wat ze doen. Eerder bleek Schein vragen te onderscheiden aan de hand van de richting die je ermee opgaat: verkenning, diagnose, alternatieven of confrontatie. En Dilts gebruikt vragen om mensen te laten zien wat ze niet zien: weglatingen, algemeenheden en vervormingen.

Deze keer voor het voetlicht: Roger Harrison.

Harrison stelt dat je situaties of problemen kunt onderzoeken op vijf niveaus. Hij onderscheidt een schaal die loopt van ‘oppervlakte’ (relatief inhoudelijke kwesties) naar ‘diepte’ (relatief persoonlijke kwesties).

Van oppervlakte (het ‘wat’) naar diepte (het ‘wie’) gaat dat achtereenvolgens om:

    • inhoud, kennis, technische zaken
    • werkwijze, omgaan met tijd, methodes, agendering
    • overlegvormen en werkverbanden met anderen
    • gevoel en percepties ten opzichte van anderen (interpersoonlijk; wat speelt tussen mensen)
    • persoonlijke drijfveren en blokkades (intrapersoonlijk; wat speelt in mensen)

Met deze vijf niveaus zit je als het ware in een lift die naar verschillende etages gaat. Iemand ergens mee helpen houdt in dat je nagaat op welke diepte (of etage) een kwestie zich afspeelt en dat je daar dan een tijdje met de ander verblijft door te onderzoeken, te vragen, te denken.

Bij kwesties met een oppervlakte-karakter (het ‘wat’) kun je de ander helpen door kennis over te dragen of na te gaan waar die kennis te vinden is. Dit is een vorm van expert-advisering: de ander weet iets niet – of niet goed genoeg – en jij wel. Zo’n expert-advies komt trouwens pas aan de orde nadat je verkend hebt op welke diepte de kwestie speelt en de kern inderdaad op dat inhoudelijke ‘wat’-niveau blijkt te zitten.

Relatief persoonlijke kwesties (het ‘wie’) vragen niet om zo’n expertbenadering, maar eerder om tactieken zoals aangereikt door de al genoemde Schein.

Volgens Harrison zijn veel mensen geneigd hun kwestie of probleem in relatief inhoudelijke termen te verwoorden. De kunst is dus om verdiepende vragen te stellen, tenminste, als de ander daarin meegaat. Het heeft weinig zin om op een niveau te blijven waar de ander niet wil of kan zijn. Dat betekent dat je als vragensteller niet dieper moet gaan dan het niveau waarop je effectief aan de kwestie kunt werken. Harrison stelt dat veel helpers/adviseurs geneigd zijn om dieper te gaan omdat zoiets spannend is of omdat je dan pas meetelt. Niet doen, zegt hij, dat roept meer problemen op dan het oplost.

Een voorbeeld van de interventieniveaus van Harrison, met een paar vragen:

Iemand zit ermee dat zijn leidinggevende hem taken opdraagt die niet bij zijn eigenlijke werk horen. Hij zou willen dat dit ophoudt, maar vindt het lastig om dat ter sprake te brengen; dat staat zo ‘kruidenierig’.

  • – Inhoudelijke vragen:
    • Welke oneigenlijke taken draagt hij jou op?
    • Hoeveel tijd ben je ermee kwijt?
  • – Werkwijze:
    • Hoe gedetailleerd is je functiebeschrijving?
    • Hebben jullie afspraken over wat te doen met bijkomende taken?
  • – Overleg:
    • Hoe zit het met functioneringsgesprekken?
    • Hoe rapporteer je over je tijdsbesteding en prioriteiten?
  • – Relatie:
    • Hoe gaan jouw leidinggevende en jij met elkaar om?
    • Hoe voel je je in die relatie?
  • – Persoonlijk:
    • Waarom vind je het moeilijk om dit met je leidinggevende te bespreken?
    • Wat bedoel je met ‘kruidenierig’?

Je ziet dat je met deze vragen op de vijf niveaus steeds andere dingen belicht. De lift stopt als het ware op een lagere of hogere etage en daar zijn dan bijbehorende kanten van de kwestie te zien.

.

Tot zover Harrison. Wat mij erin aanspreekt, is de eenvoud van het beeld: steeds een stapje dieper en hoe je dan kijkt, bepaalt wat je ziet. Eenvoud mét een waarschuwing, want ik word me door dit model bewust van de impact van mijn vragen. Als ik stug doorvraag op één bepaald niveau kan ik het probleem daarmee onbedoeld vastzetten en denken: kennelijk is hier X aan de hand. Maar ik heb niet naar Y en Z gevraagd, dus die mogelijke probleemdefinities neem ik niet mee in mijn eigen gedachtegang en in het gesprek met de ander. Een valkuil om te vermijden! Plus dan nog de waarschuwing dat ik niet moet denken dat een dieper niveau per definitie beter is én dat ik niet dieper moet gaan dan het niveau waarop we effectief aan de kwestie kunnen werken. Tja. Een beetje realiteitszin kan geen kwaad 😉 Er zit veel in, in dit eenvoudige model.

.

Dit artikeltje is gebaseerd op ‘Choosing the depth of intervention’, in ‘The collected papers of Roger Harrison’ (McGraw Hill, 1995).

In volgende stukjes wil ik aandacht besteden aan Feltmann en Hoebeke. Schein en Dilts kwamen, zoals gezegd, eerder al aan de orde.

De teksten zijn grotendeels van de hand van Adrie van den Berge die gul allerlei materiaal ter beschikking heeft gesteld. Met zijn toestemming deel ik het hier graag met jullie; ik verander er soms wat aan, schrijf er een beetje omheen en geef er een reflectieoefening bij.

.

Reflectieoefening

    1. Verdeel een blad (of gebruik een paar bladen) in vijf rijen: voor elk van de niveaus van Harrison één rij. Beschrijf een lastige situatie die jou momenteel bezighoudt, door in elke rij dingen te noteren die je op dat niveau belangrijk vindt. Je kunt de niveaus één voor één van boven naar beneden aflopen, maar je kunt ook heen en weer springen afhankelijk van wat er bij je opkomt.Maak van de grenzen tussen de niveaus geen halszaak (soms lopen bijvoorbeeld inhoud en werkwijze door elkaar, en relatie en persoonlijk), zolang je maar afdaalt van het ‘wat’ naar het ‘wie’.

      Pauzeer af en toe, zodat je jezelf kunt afvragen of je genoteerd hebt wat van belang is op een bepaald niveau.

    2. Lees je tekst uit stap 1 door en ga innerlijk na op welk van de vijf niveaus de kern van de kwestie zit: waar zit nu écht jouw moeite?
    3. Kijk nog eens aandachtig naar wat je bij dat bepaalde niveau geschreven hebt. Welke kernvraag komt bij je op, nu je dat zo leest, d.w.z. wat is jouw leer-/onderzoeksvraag?
    4. Beantwoord deze vraag al schrijvend, mijmerend op papier. Houd je pen in beweging, schrijf snel en noteer kritiekloos wat er in je opkomt. Als je even blokkeert, herhaal je je kernvraag totdat er weer een nieuwe gedachte komt en dan schrijf je daar onmiddellijk mee door. Doe dit 10 minuten, onafgebroken.
    5. Lees onderzoekend, zonder waarde-oordeel, terug wat je bij stap 4 geschreven hebt en maak dan de volgende open zinnen af met elk ongeveer 7 regels tekst:
      • Wat ik hiermee echt wil zeggen, is…
      • Als ik kijk naar het ‘wat’ van mijn vraagstuk/probleem, valt me op…
      • Als ik kijk naar het ‘wie’ van mijn vraagstuk/probleem, valt me op…
      • Als een ander dit geschreven zou hebben, zou ik hem/haar…
      • Het lijkt me dat een oplossing gezocht kan worden in de richting van…
      • Wat ik wil proberen, is…

.