Oefening van de maand

Er is weer een nieuwe oefening van de maand.

In november is het thema: Memory of Your World.
Welke ‘documenten’ (breed gezien) halen de lijst van jouw persoonlijke werelderfgoed? En wat zeggen die dingen over jou?

.

 

 

.

.

 

Schrijfretraite in de Auvergne van 27 mei t/m 1 juni

Domaine La Réveille is een heerlijk oord in de Auvergne. Bij Charles en Tarcies Engelen zijn we in goede handen als we daar een schrijfweek beleven.

Zes dagen om in jezelf wakker te maken wat ertoe doet, dit in herinnering te roepen of nieuw op te wekken. Een tijd om rustig te kijken naar hoe je bezig bent in je leven en/of werk en daarvoor nieuwe inzichten en energie op te doen.

Je kunt je retraite wijden aan een bepaald thema als je dat in gedachten hebt, maar je kunt ook zonder thema komen en zien wat zich aandient.
De retraite is geschikt voor iedereen; bereidheid om te luisteren naar je pen is voldoende en je hebt geen schrijfervaring nodig.

 

 

.

 

Schrijven en Staan: reflectief schrijven & opstellingen

Op zaterdag 9 december is het weer zover. Een kans om te praten met je talenten en te horen wat ze jou te zeggen hebben. In een mix van opstellingen en creatieve reflectietechnieken sta je letterlijk stil bij wie je bent en wat je wilt.

Rosemarijn Koenen en ik begeleiden de workshop ‘Schrijven en Staan’ in het Coachhuis in Utrecht.

Zomaar schrijven helpt niet. Wat wel?

Het is een goedbedoeld advies: “dat moet je eens opschrijven”. Of: “schrijf het maar van je af”.

In coachingsgesprekken en opleidingen klinken varianten als “maak een reflectieverslag” en “schrijf je leerervaringen op”.

Makkelijker gezegd dan gedaan.

Voor je het weet zit je tijden braaf te schrijven en is het nog niet goed. Je reflecties zijn niet concreet genoeg. Of juist té concreet, te verhalend. Je wilde schrijven om op te fleuren, maar je bent na afloop meer in mineur dan voorheen. Op z’n best ben je er weinig mee opgeschoten. Er staat een klaagzang op papier. Of een brij gedachten. Kringetjes uit je hoofd nu op het papier. En dan?

Is het schrijven dan niets voor jou? Werkt het niet? Kún je het niet?

Dat is een te snelle conclusie.

Waarschijnlijk heb je te weinig gericht geschreven, te weinig methodisch. Er zijn namelijk allerlei schrijftechnieken en ze werken verschillend: een sprintje is bijvoorbeeld intuïtief en associatief, terwijl een kolommenwerkblad structuur geeft en je ratio aanspreekt. Een open zin laat je ingaan op het eerste wat in je opkomt, terwijl een lijstje of een gedachtenwolk je ruimte geeft tot kiezen. Zo zijn er nog veel meer technieken en het doet er toe welke je kiest.

En de insteek – of zo je wilt, de opdracht – waarmee je zo’n techniek inzet, maakt ook veel uit. Zo is een open zin een goede manier om je aandacht te richten, maar richt je dan wel voldoende precies? Vergelijk eens de volgende drie zinnen:

  • – Wat ik van mijn project vind, is…
  • – Wat ik leuk vind aan mijn project, is…
  • – Wat ik leuk vind aan mezelf in dit project is…

Of deze vier:

  • – Wat ik leer in mijn project is…
  • – Wat ik als vakman/vakvrouw leer in mijn project is…
  • – Wat ik in het contact met anderen leer in mijn project is…
  • – Wat ik op persoonlijk/emotioneel niveau leer in mijn project is…

De open zinnen gaan allemaal over jou en je project, maar ze geven steeds een andere kijkrichting.

Reflectievragen zijn ook zo’n richt-instrument. De vraag “wat treft je het meest” of “wat valt je op” kan naar positieve en negatieve dingen leiden, anders dan bijv. “waar ben je het meest dankbaar voor of blij mee” of “waar zit de meeste pijn en moeite”.

Met de vraag “wat heb je geleerd” kijk je terug en met “wat wens je jezelf nu toe” kijk je vooruit. Je kunt zelfs twee kanten tegelijk op kijken als je je afvraagt: “wat heb ik de afgelopen tijd geleerd dat ik de komende tijd goed kan gebruiken”. (Vragen zijn trouwens geweldige instrumenten, zie ook de blogjes over Hoebeke,  HarrisonDilts en Schein. Maar dit terzijde.)

Zie je ‘m al ontstaan, de waaier aan mogelijkheden?

Talloze schrijftechnieken x talloze richtingen = oneindige ruimte.
Hoe ga je die ruimte effectief verkennen?

Er ligt zoveel ruimte voor je open als je wilt reflecteren, leren, groeien, verdiepen, onderzoeken.

Zomaar schrijven is als schieten met hagel met je ogen dicht en hopen dat je raakt wat je wilde. Natuurlijk lukt het soms. En natuurlijk is het sowieso een moment voor jezelf. Het feit dát je bent gaan zitten, doet al veel. En als je de brij terugleest, zie je er heus wel iets in blinken, zeker als je het schrijven een langere tijd volgehouden hebt.

Maar als je een schrijftechniek hanteert die past bij je doel en er bewust een richting mee kiest, is je trefkans zoveel groter. Je plezier, diepgang, pijn, troost, leereffect of inzicht navenant ook.
Daarmee heb je goud in handen, voor je eigen ontwikkeling en voor anderen die je begeleidt.

.

.

.

Foto: www.sxc.hu, Lize Rixt

 

 

 

 

 

 

foto: www.sxc.hu

De kunst van het vragen (IV): Hoebeke

Vragen zijn interventies. Ingrepen in een gesprek en in een gedachtegang – meer of minder sturend van aard, meer of minder bewust gesteld, maar toch ingrepen.

Er is veel geschreven over soorten vragen en wat ze doen. Schein onderscheidt vragen aan de hand van de richting die je ermee inzet: verkenning, diagnose, alternatieven of confrontatie. Dilts gebruikt vragen om mensen te laten zien wat ze niet zien: weglatingen, algemeenheden en vervormingen. Harrison noemt vijf niveaus van oppervlakte naar diepte.
Deze keer kijken we naar wat Luc Hoebeke erover te zeggen heeft.

Organisaties hebben geen problemen, maar de mensen die er werken wel. Dat stelt Luc Hoebeke, en daar is hij overigens niet uniek in. Wel in hoe hij ‘problemen’ defini­eert. Naar zijn overtuiging drukt zich in problemen een dilemma uit waar ‘verlangen’ en ‘vrees’ deel van uit maken. Een helper probeert dat dilemma met de ander door te werken en zal dus vooral vragen stellen die betrekking hebben op dat verlangen en de ermee gepaard gaande vrees.

Verlangen

  • –  iemands ambities of drive
  • –  wat iemand graag zou willen doen
  • –  hoe iemand zou willen zijn
  • –  wat iemand een ander zou willen zeggen

Vrees

  • –  waar iemand aan denkt bij dergelijke verlangens
  • –  wat iemand terughoudt
  • –  welke fantasieën iemand heeft
  • –  welke ervaringen de vrees en fantasieën voeden
  • –  wat iemand anderen heeft zien overkomen

De kunst is hier niet alleen om vragen te stellen, maar ook en vooral te luisteren naar hoe verlangen en vrees doorklinken in wat je als helper hoort. Interveniëren betekent hier ook dat je verwoordt wat je hoort.

Deze tekst is gebaseerd op de syllabus ‘Vragen staat vrij’ door Adrie van den Berge, met als basis o.a. een destijds ongepubliceerd artikel van Hoebeke. Adrie heeft allerlei materiaal ter beschikking gesteld en met zijn toestemming deel ik het hier graag met jullie; ik verander er soms wat aan, schrijf er een beetje omheen en geef er een reflectieoefening bij.

In eerdere stukjes kwamen ScheinDilts en Harrison aan de orde; deze serie over vragen zal in een volgend stukje afsluiten met inzichten van Edu Feltmann.
.

Reflectieoefening

    1. Vergeet even wat Hoebeke zegt. Schrijf vrijuit, vanuit je eigen gedachtegang en ongestructureerd, 3 A4-tjes vol over een een probleem of dilemma waar je momenteel mee zit. Schrijf snel en mijmerend, d.w.z. volg je gedachten en schrijf kritiekloos op wat er in je opkomt. Houd je pen in beweging. Als je blokkeert, herhaal je het laatste woord totdat er een nieuwe gedachte komt.
    2. Lees welke aspecten volgens Hoebeke horen bij ‘verlangen’. Lees daarna je tekst uit stap 1 door en markeer met een kleur alle woorden, passages of flarden die horen bij jouw verlangen in deze kwestie.
    3. Verdeel een blanco pagina in twee kolommen.
    4. Wat valt je op als je naar de fragmenten over verlangen kijkt (uit stap 2)? Schrijf daar iets over op in de linkerkolom.
    5. Lees welke aspecten volgens Hoebeke horen bij ‘vrees’. Lees daarna je tekst uit stap 1 nogmaals door en markeer met een andere kleur alle woorden of flarden die horen bij jouw vrees in deze kwestie.
    6. Wat valt je op als je naar deze fragmenten over vrees kijkt? Schrijf daar iets over op in de rechterkolom.
    7. Kijk rustig naar je kolommen: verlangen en vrees, naast elkaar. Is er iets waar je over door wilt mijmeren? Komt er een vraag bij je op? Schrijf erover door, op dezelfde mijmerende manier, bijvoorbeeld 10 minuten.
    8. “Heb je vragen lief. Leef je vragen, dan leef je misschien ongemerkt het antwoord in.” Dit is een fragment uit een gedicht van Rilke. Heeft dit advies je iets te zeggen over jouw verlangen en vrees? Schrijf er iets over op.
    9. Lees onderzoekend, zonder waarde-oordeel, terug wat je bij stap 7 en 8 geschreven hebt en maak dan de volgende open zinnen af met elk ongeveer 7 regels tekst:
      • Wat me opvalt…
      • Mijn verlangen gaat ten diepste over…
      • Mijn vrees gaat ten diepste over…
      • Wat me helpt…
      • Als ik me afvraag ‘hoe verder?’, dan…

 .

 

www.sxc.hu by elkfish

Artikel: Schrijf het mooie naar je toe

In  maart 2015 verscheen de glossy JIP, een prachtige (helaas voorlopig eenmalige) uitgave van bureau JIP/Jeugd in Perspectief. Geertje en Elly begeleiden jonge mensen die, om welke reden dan ook, geremd zijn in hun ontwikkeling.

In hun blad mocht ik een artikel schrijven: ‘Schrijf het mooie naar je toe’. Praktische handvatten waarmee je aandacht kunt besteden aan het positieve dat je in je leven wilt laten groeien.

Van je af schrijven kennen de meeste mensen wel, maar dat je ook dingen naar je toe kunt schrijven is minder bekend. Wanneer je behoefte hebt aan meer van het goede, kan het je helpen als je je daar bewust op richt. Net als de instructeur van een slipcursus ooit zei: kijk niet naar de botsing voor je, maar kijk naar waar de ruimte is. Dan is de kans dat je daar terecht komt veel groter.

Met dank aan Geertje en Elly, en met waardering voor hun belangrijke werk, plaats ik hier de link naar het artikel:

.
.
.
.
.
.
.

 

 

Handig: flipoverbladen die je kunt scannen

Ik was al fan van het Optik Paper van Oxford en de handige app waarmee je de bladen van hun Organizer Books kunt scannen met je smartphone, maar nu is er meer!

Er is niet alleen een nieuw Notebook-schrift dat ook die scanhoekjes heeft, de hoekjes zitten zelfs op flipovervellen.

Je kunt de teksten en tekeningen die je daarop maakt gemakkelijk inscannen met de bijbehorende (gratis) app, ze digitaal bewaren, delen, wat je maar wilt.
Dus geen vage foto’s meer waarop je onbedoeld de halve omgeving meeneemt, maar schone rechte pdf-jes die je makkelijk in een verslag kunt opnemen.

Het is een innovatie waarmee Oxford onlangs de Benelux Product Office Award won.

 

foto: www.sxc.hu

De kunst van het vragen (III): Harrison

Er valt veel te zeggen over soorten vragen en wat ze doen. Eerder bleek Schein vragen te onderscheiden aan de hand van de richting die je ermee opgaat: verkenning, diagnose, alternatieven of confrontatie. En Dilts gebruikt vragen om mensen te laten zien wat ze niet zien: weglatingen, algemeenheden en vervormingen.

Deze keer voor het voetlicht: Roger Harrison.

Harrison stelt dat je situaties of problemen kunt onderzoeken op vijf niveaus. Hij onderscheidt een schaal die loopt van ‘oppervlakte’ (relatief inhoudelijke kwesties) naar ‘diepte’ (relatief persoonlijke kwesties).

Van oppervlakte (het ‘wat’) naar diepte (het ‘wie’) gaat dat achtereenvolgens om:

    • inhoud, kennis, technische zaken
    • werkwijze, omgaan met tijd, methodes, agendering
    • overlegvormen en werkverbanden met anderen
    • gevoel en percepties ten opzichte van anderen (interpersoonlijk; wat speelt tussen mensen)
    • persoonlijke drijfveren en blokkades (intrapersoonlijk; wat speelt in mensen)

Met deze vijf niveaus zit je als het ware in een lift die naar verschillende etages gaat. Iemand ergens mee helpen houdt in dat je nagaat op welke diepte (of etage) een kwestie zich afspeelt en dat je daar dan een tijdje met de ander verblijft door te onderzoeken, te vragen, te denken.

Bij kwesties met een oppervlakte-karakter (het ‘wat’) kun je de ander helpen door kennis over te dragen of na te gaan waar die kennis te vinden is. Dit is een vorm van expert-advisering: de ander weet iets niet – of niet goed genoeg – en jij wel. Zo’n expert-advies komt trouwens pas aan de orde nadat je verkend hebt op welke diepte de kwestie speelt en de kern inderdaad op dat inhoudelijke ‘wat’-niveau blijkt te zitten.

Relatief persoonlijke kwesties (het ‘wie’) vragen niet om zo’n expertbenadering, maar eerder om tactieken zoals aangereikt door de al genoemde Schein.

Volgens Harrison zijn veel mensen geneigd hun kwestie of probleem in relatief inhoudelijke termen te verwoorden. De kunst is dus om verdiepende vragen te stellen, tenminste, als de ander daarin meegaat. Het heeft weinig zin om op een niveau te blijven waar de ander niet wil of kan zijn. Dat betekent dat je als vragensteller niet dieper moet gaan dan het niveau waarop je effectief aan de kwestie kunt werken. Harrison stelt dat veel helpers/adviseurs geneigd zijn om dieper te gaan omdat zoiets spannend is of omdat je dan pas meetelt. Niet doen, zegt hij, dat roept meer problemen op dan het oplost.

Een voorbeeld van de interventieniveaus van Harrison, met een paar vragen:

Iemand zit ermee dat zijn leidinggevende hem taken opdraagt die niet bij zijn eigenlijke werk horen. Hij zou willen dat dit ophoudt, maar vindt het lastig om dat ter sprake te brengen; dat staat zo ‘kruidenierig’.

  • – Inhoudelijke vragen:
    • Welke oneigenlijke taken draagt hij jou op?
    • Hoeveel tijd ben je ermee kwijt?
  • – Werkwijze:
    • Hoe gedetailleerd is je functiebeschrijving?
    • Hebben jullie afspraken over wat te doen met bijkomende taken?
  • – Overleg:
    • Hoe zit het met functioneringsgesprekken?
    • Hoe rapporteer je over je tijdsbesteding en prioriteiten?
  • – Relatie:
    • Hoe gaan jouw leidinggevende en jij met elkaar om?
    • Hoe voel je je in die relatie?
  • – Persoonlijk:
    • Waarom vind je het moeilijk om dit met je leidinggevende te bespreken?
    • Wat bedoel je met ‘kruidenierig’?

Je ziet dat je met deze vragen op de vijf niveaus steeds andere dingen belicht. De lift stopt als het ware op een lagere of hogere etage en daar zijn dan bijbehorende kanten van de kwestie te zien.

.

Tot zover Harrison. Wat mij erin aanspreekt, is de eenvoud van het beeld: steeds een stapje dieper en hoe je dan kijkt, bepaalt wat je ziet. Eenvoud mét een waarschuwing, want ik word me door dit model bewust van de impact van mijn vragen. Als ik stug doorvraag op één bepaald niveau kan ik het probleem daarmee onbedoeld vastzetten en denken: kennelijk is hier X aan de hand. Maar ik heb niet naar Y en Z gevraagd, dus die mogelijke probleemdefinities neem ik niet mee in mijn eigen gedachtegang en in het gesprek met de ander. Een valkuil om te vermijden! Plus dan nog de waarschuwing dat ik niet moet denken dat een dieper niveau per definitie beter is én dat ik niet dieper moet gaan dan het niveau waarop we effectief aan de kwestie kunnen werken. Tja. Een beetje realiteitszin kan geen kwaad 😉 Er zit veel in, in dit eenvoudige model.

.

Dit artikeltje is gebaseerd op ‘Choosing the depth of intervention’, in ‘The collected papers of Roger Harrison’ (McGraw Hill, 1995).

In volgende stukjes wil ik aandacht besteden aan Feltmann en Hoebeke. Schein en Dilts kwamen, zoals gezegd, eerder al aan de orde.

De teksten zijn grotendeels van de hand van Adrie van den Berge die gul allerlei materiaal ter beschikking heeft gesteld. Met zijn toestemming deel ik het hier graag met jullie; ik verander er soms wat aan, schrijf er een beetje omheen en geef er een reflectieoefening bij.

.

Reflectieoefening

    1. Verdeel een blad (of gebruik een paar bladen) in vijf rijen: voor elk van de niveaus van Harrison één rij. Beschrijf een lastige situatie die jou momenteel bezighoudt, door in elke rij dingen te noteren die je op dat niveau belangrijk vindt. Je kunt de niveaus één voor één van boven naar beneden aflopen, maar je kunt ook heen en weer springen afhankelijk van wat er bij je opkomt.Maak van de grenzen tussen de niveaus geen halszaak (soms lopen bijvoorbeeld inhoud en werkwijze door elkaar, en relatie en persoonlijk), zolang je maar afdaalt van het ‘wat’ naar het ‘wie’.

      Pauzeer af en toe, zodat je jezelf kunt afvragen of je genoteerd hebt wat van belang is op een bepaald niveau.

    2. Lees je tekst uit stap 1 door en ga innerlijk na op welk van de vijf niveaus de kern van de kwestie zit: waar zit nu écht jouw moeite?
    3. Kijk nog eens aandachtig naar wat je bij dat bepaalde niveau geschreven hebt. Welke kernvraag komt bij je op, nu je dat zo leest, d.w.z. wat is jouw leer-/onderzoeksvraag?
    4. Beantwoord deze vraag al schrijvend, mijmerend op papier. Houd je pen in beweging, schrijf snel en noteer kritiekloos wat er in je opkomt. Als je even blokkeert, herhaal je je kernvraag totdat er weer een nieuwe gedachte komt en dan schrijf je daar onmiddellijk mee door. Doe dit 10 minuten, onafgebroken.
    5. Lees onderzoekend, zonder waarde-oordeel, terug wat je bij stap 4 geschreven hebt en maak dan de volgende open zinnen af met elk ongeveer 7 regels tekst:
      • Wat ik hiermee echt wil zeggen, is…
      • Als ik kijk naar het ‘wat’ van mijn vraagstuk/probleem, valt me op…
      • Als ik kijk naar het ‘wie’ van mijn vraagstuk/probleem, valt me op…
      • Als een ander dit geschreven zou hebben, zou ik hem/haar…
      • Het lijkt me dat een oplossing gezocht kan worden in de richting van…
      • Wat ik wil proberen, is…

.

foto: www.sxc.hu

De kunst van het vragen (II): Dilts

Je kunt op verschillende manieren naar vragen kijken. Eerder bleek Schein vragen te onderscheiden aan de hand van de richting die je ermee opgaat: verkenning, diagnose, alternatieven of confrontatie.

Dit vervolgartikel gaat over de benadering van Dilts. Wanneer mensen problemen ervaren met een situatie en hun rol daarin, kun je hen helpen door na te gaan:

    • wat ze weglaten:
      • bijv. informatie die ontbreekt, zodat een gevoel of bewerking weinig specifiek is
      • of referenties die ontbreken, zodat onduidelijk is waarom iets een vraag of probleem is;
    • welke algemeenheden ze uitspreken:
      • bijv. uitzonderingen uitsluiten, keuzemogelijkheden uitsluiten of impliciete aannames doen;
    • welke vervormingen ze hanteren:
      • bijv. ongerijmde uitspraken doen, zoals iemands gedachten kennelijk kunnen lezen
      • of verbanden leggen die nergens op gebaseerd lijken te zijn.

Door te vragen naar ontbrekende informatie, generaliseringen en vervormingen maak je mensen bewust van hun manier van denken en praten. Dit zorgt voor inzicht in de manier waarop zij situaties of problemen ‘maken’, d.w.z. in hun hoofd opbouwen.

Bij weglatingen gaat het om:

    • beweringen met ontbrekende of onvoldoende informatie
    • verwijzingen naar iets zonder een criterium (bijv. ‘minder’, wat de vraag oproept: minder dan wat?)
    • onvoldoende persoonlijk zijn (bijv. ‘zij’, ‘men’, ‘de leiding’)
    • onvoldoende precies zijn (het hoe, wat, wanneer ontbreekt)
    • doen alsof een actie of een proces een ding is (bijv. ‘de afhandeling schrijft voor dat…’)
    • beweringen met ontbrekende of onvoldoende informatie

Voorbeelden van bijbehorende vragen:

– Iemand zegt: Ik ben erg geïrriteerd.
Je kunt vragen: Waarover? Over wie?
Wat je daarmee bewust maakt: Weggelaten informatie.

– Iemand zegt: Het is beter om niets te zeggen.
Je kunt vragen: Beter dan wat, specifiek? In vergelijking met wat?
Wat je bewust maakt: De gebruikte standaard.

– Iemand zegt: Mensen leren niet.
Je kunt vragen: Welke mensen specifiek?
Wat je bewust maakt: Op wie/wat de verklaring betrekking heeft.

– Iemand zegt: Ik heb moeite met communiceren.
Je kunt vragen: Hoe specifiek heb je moeite, wanneer, waarmee?
Wat je bewust maakt: Informatie over situatie, activiteit, relatie.

– Iemand zegt: Ik stopte met de relatie.
Je kunt vragen: Wie is specifiek aan wie gerelateerd, hoe en met betrekking tot wat?
Wat je bewust maakt: Het woord relatie wordt omgezet in een werkwoord.

 

Bij generalisaties gaat het om:

    • spreken alsof er geen keuze is
    • impliciete aannames
    • brede algemeenheden die uitzonderingen of alternatieven uitsluiten (bijv. altijd, nooit, iedereen, niemand)

Voorbeelden van bijbehorende vragen:

– Iemand zegt: Mannen mogen geen emotie tonen.
Je kunt vragen: Als ze dat nou wel deden?
Wat je bewust maakt: Gevolgen, verantwoordelijkheid voor de regel of grens.

– Iemand zegt: Ik kan geen presentatie houden.
Je kunt vragen: Wat houdt je tegen?
Wat je bewust maakt: Oorzaak van de symptomen.

– Iemand zegt: Als hij wist hoezeer ik gekwetst ben, zou hij niet zo reageren.
Je kunt vragen: Hoe weet je dat hij het niet weet?
Wat je bewust maakt: De manier van omgaan en de relatie die verondersteld worden.

– Iemand zegt: Zij heeft altijd kritiek.
Je kunt vragen: Altijd? Is er nooit een situatie geweest waarin ze geen kritiek had?
Wat je bewust maakt: Uitzonderingen en tegenstrijdigheden.

– Iemand zegt: Niemand vertelt de waarheid.
Je kunt vragen: Wat zou er gebeuren als…?
Wat je bewust maakt: Alternatieve keuze(s).

 

Bij vervormingen gaat het om:

    • stilzwijgend uitgaan van oorzaak-gevolgrelaties
    • doen alsof je gedachten kunt lezen en de gevoelens van een ander kent
    • doen alsof er gelijkwaardigheid is
    • niet duidelijk maken waarop iets gebaseerd is

Voorbeelden van bijbehorende vragen:

– Iemand zegt: Haar toontje maakt me kwaad.
Je kunt vragen: Hoe komt het dat je daar boos over wordt?
Wat je bewust maakt: Het logische verband dat men kennelijk legt, oorzaak/gevolg.

– Iemand zegt: Hij geeft niet om mij.
Je kunt vragen: Hoe weet je dat?
Wat je bewust maakt: Hoe je dat kunt weten en hoe absoluut dat weten is.

– Iemand zegt: Hij doet het niet goed op zijn werk, hij heeft een leerprobleem.
Je kunt vragen: Als jij het slecht doet op je werk, betekent dat dan ook dat je een leerprobleem hebt?
Wat je bewust maakt: Controle van de betrouwbaarheid van het verband (oorzaak/gevolg) en waarop dat gebaseerd is.

– Iemand zegt: Het is egoïstisch om aan jezelf te denken.
Je kunt vragen: Volgens wie?
Wat je bewust maakt: De bron en de criteria van het oordeel.

 

Tot zover Dilts. Eigenlijk een chique vorm van: ik zie, ik zie wat ik niet zie 😉
Ik ben van plan in volgende artikeltjes aandacht te besteden aan Feltmann, Harrison en Hoebeke.
Schein kwam dus eerder al aan de orde met zijn indeling in verkenning, diagnose, alternatieven en confrontatie.
De teksten zijn grotendeels van de hand van Adrie van den Berge die gul allerlei materiaal ter beschikking heeft gesteld. Met zijn toestemming deel ik het hier graag met jullie; ik schrijf er soms wat omheen en geef er een reflectieoefening bij.

Reflectieoefening

    1. Schrijf tenminste één A4-tje vol over een lastige situatie die jou momenteel bezighoudt. Schrijf vrijuit, zonder rekening te houden met de indeling en vragen van Dilts.
    2. Lees je tekst door vanuit de drie perspectieven van Dilts, d.w.z. ga op zoek naar weglatingen, generalisaties en vervormingen. Terwijl je dat doet, maak je een lijstje van vragen die bij je opkomen in de trant van de hierboven gegeven voorbeelden. Bevraag jezelf alert, lees nauwkeurig en wees nieuwsgierig. Doe vooral niet alsof alles logisch is wat je geschreven hebt, maar stel het ter discussie.
    3. Kijk naar je lijstje met vragen en kies drie vragen uit waar je het meest door geprikkeld wordt.
    4. Beantwoord deze vragen al schrijvend. Houd je pen in beweging, noteer kritiekloos wat er in je opkomt en als je even blokkeert, herhaal je het laatste woord totdat er weer een nieuwe gedachte komt. Doe dit 5 minuten per vraag, dus in totaal 15 minuten.
      => Mogelijkheid tot verdieping: als je wilt, kun je ook deze tekst weer doorlezen vanuit de drie perspectieven van Dilts en daarmee stap 2 t/m 4 herhalen.
    5. Lees terug wat je bij stap 4 geschreven hebt, ook weer met een alerte en onderzoekende houding, en maak dan de volgende open zinnen af met elk ongeveer 7 regels tekst:
      • Wat me opvalt…
      • Als een ander dit geschreven zou hebben, zou ik zeggen…
      • Iets waar ik eerder geen rekening mee  hield…
      • Het lijkt me dat een oplossing gezocht kan worden in de richting van…
      • Wat ik wil proberen, is…

 

bron: sxc.hu

Workshop: Keuzes maken, leef je vragen

“Heb de vragen lief. Zoek niet naar antwoorden, maar leef je vragen. Misschien leef je dan, ongemerkt, op een dag in het antwoord.” Dit advies van Rilke kwam bij me op toen iemand me vroeg naar een workshop over het thema ‘keuzes maken’. En ik heb er dus een nieuw, eendaags programma omheen gemaakt 🙂

Keuzes zijn soms echte ja-of-nee-beslissingen. Een nieuwe baan aannemen, voor jezelf beginnen, een relatie aangaan of verbreken. Knopen die doorgehakt moeten worden.
Maar het kunnen ook meereiskeuzes zijn, dingen die blijven terugkomen omdat dat bij hun aard hoort. Zoals het steeds weer kiezen voor gezond leven, wanneer elke hap of slok die je neemt en elke sporttas die je inpakt een keuze is. Of het steeds opnieuw jezelf geven als mantelzorger. Commitment, erbij blijven.

Rilke houdt ons voor dat het niet erg is om lang met twijfels, dilemma’s en vragen te leven – sterker nog, hij raadt ons aan om de vragen zelf lief te hebben en niet snel naar het antwoord te willen duiken. Trage vragen, worden ze ook wel genoemd. Vragen die een tijdlang mogen meereizen, móeten meereizen, misschien wel.

Maar dat wil niet zeggen dat je er niets mee hoeft te doen. Je kunt er tijd voor nemen. Tijd om op verschillende manieren en vanuit verschillende invalshoeken naar je vragen en keuzes te kijken. Daar is deze workshop voor bedoeld.

    • Je ziet je vragen vanuit nieuwe perspectieven.
    • Je pendelt tussen rationele en intuïtieve invalshoeken en spreekt daarmee verschillende vormen van wijsheid aan.
    • Je krijgt meer inzicht in je drijfveren en in de aspecten die in jouw vraag of keuze belangrijk zijn.
    • Je werkt met reflectietechnieken die je na de workshop kunt blijven gebruiken.

En wie weet leef je, ongemerkt, een beetje, op deze dag ook in het antwoord.