Berichten

foto: www.sxc.hu

De kunst van het vragen (I): Schein

Vragen zijn rare dingen. Je kunt er van alles mee doen. Nuttige dingen te weten komen (zoals de tijd of de weg), je nieuwsgierigheid bevredigen, dingen leren, een sfeer maken of breken, iemand boos maken of laten lachen, iemand helpen. Dat laatste zien we vaak in coachingsgesprekken. In plaats van advies te geven vanuit een expert-rol, zal een coach eerder geneigd zijn vragen te stellen waarlangs de coachee zelf zijn/haar gedachten formuleert en zo tot eigen inzichten komt.

Vragen kunnen interventies zijn: ingrepen die je bewust doet om een bepaald effect te bereiken. Edgar H. Schein zegt daar iets over. Hij gaat in op mogelijke doelen van het stellen van vragen en hij suggereert dat ze het beste in een bepaalde volgorde aan bod kunnen komen:

1.   verkenning
2.   diagnose
3.   alternatieven
4.   confrontatie

1. Verkennende vragen

Verkennende vragen zijn erop gericht om de ander onder woorden te laten brengen hoe hij of zij de situatie ziet. De vragensteller hanteert zelf weinig of geen vooronderstellingen, zodat degene die aan de praat raakt het verhaal naar voren brengt in een eigen vorm.

Het gaat om vragen als:
– Kun je me iets daarover vertellen?
– Kun je de situatie beschrijven?
– Wat heb je in gedachten?

2. Diagnostische vragen

Diagnostische vragen zijn bedoeld om iemand te helpen te begrijpen waarom het gaat zoals het gaat en wat iemands eigen aandeel (rol/bijdrage) is in een situatie. Schein noemt diverse types interventies:

  • Reconstructies maken
    • Welke gebeurtenissen hebben dit veroorzaakt?
    • Hoe is dat gekomen?
    • Kun je vertellen wat er toen gebeurde?
    • Wat gebeurt er dan in die bijeenkomsten?
  • Concretiseren
    • Wat bedoel je daarmee?
    • Wat versta je daaronder?
    • Kun je daar een voorbeeld van geven?
  • Proces onderzoeken
    • Hoe hebben ze toen gereageerd?
    • Hoe zijn ze toen met elkaar omgegaan?
    • Welke gevoelens speelden er toen?
  • Hypotheses formuleren

    • Welke oorzaken zie je?
    • Wat zou er mogelijkerwijs aan de hand kunnen zijn?

De bedoeling van concretiseringen is om van generaliserende en vage uitspraken te komen tot meer concrete beschrijvingen. Bij procesgerichte vragen is het de bedoeling om weg te komen van allerlei inhoudelijke bespiegelingen en vooral na te gaan welke handelingen en (re)acties van mensen hebben geleid tot wat er nu is.

3. Vragen naar alternatieven

Vragen naar handelingsalternatieven gaan over mogelijk nieuw gedrag of ander optreden. Mogelijkheden die iemand zou kunnen overwegen om iets aan een situatie te doen. Volgens Schein kan degene die de vragen stelt (bijvoorbeeld de coach) ook best zelf mogelijkheden aangeven, maar liefst door er verschillende te schetsen. Het gaat om het zien en evalueren van alternatieven, niet om er één aan te raden. Hij noemt weer een aantal types:

  • Openend
    • Welke alternatieven zie je?
    • Wat zouden de effecten daarvan zijn?
  • Concepten
    • Welke concepten of theorieën zouden hier relevant kunnen zijn?
    • Welke informatie heb je nog nodig?
  • Ervaren
    • Zou je het eens voor kunnen doen?
    • Heb je dat elders wel eens geprobeerd?

4. Confronterende vragen

Confronterende interventies gaan verder dan op een open manier vragen stellen; er zit meer inhoud van de vragensteller in. Toch is het ook hier niet zozeer de bedoeling dat degene die de vraag stelt (c.q. de interventie doet) zijn of haar eigen mening geeft. Het gaat erom dat je (bijvoorbeeld als coach) kijkt hoe hetgeen de ander zegt of doet in relatie staat tot het probleem. De aandacht verschuift naar gebieden waar wellicht sprake is van weerstand. Het confronterende is dat iemand iets te horen krijgt wat niet zo makkelijk te accepteren is. Ook hier een aantal mogelijkheden, waar we overigens Schein wel erg vrij interpreteren:

  • Testen
    • Lijkt je de volgende hypothese ook niet denkbaar?
    • Het lijkt wel of je boos bent op die man, klopt dat?
  • Feedback
    • Past je gedrag wel bij wat je wilt bereiken?
    • Ik ervaar nu niet dat je erg luistert en vraag me af of dat in die situatie wellicht ook een rol speelt; hoe zie jij dat?
  • Belemmeringen
    • Waarom doe je dit niet?
    • Je schijnt op de een of andere manier te blokkeren, zie je dat ook?

 

Tot zover Schein. Je ziet al wel hoeveel er is te zeggen over soorten vragen en wat ze teweegbrengen. Het helpt dus wanneer je stilstaat bij de vragen die je stelt en wilt stellen in relatie tot het doel dat je met de ander wilt bereiken. Bewust omgaan met het stellen van vragen zal een (coach-)gesprek effectiever en vruchtbaarder maken. Het is in mijn optiek het verschil tussen een gewoon goed gesprek en een methodisch onderzoekend en lerend gesprek.

Schein is natuurlijk niet de enige die iets gezegd heeft over vragen als interventies waarmee je verschillende bewegingen inzet. In volgende blogberichten hoop ik aandacht te besteden aan Dilts, Feltmann, Harrison en Hoebeke. De teksten zijn grotendeels van de hand van Adrie van den Berge die gul allerlei materiaal ter beschikking heeft gesteld. Met zijn toestemming deel ik het hier graag met jullie; ik schrijf er wat omheen en geef er een reflectieoefening bij.

 

Reflectieoefening

De inzichten van Schein zijn ook te gebruiken voor het reflectief schrijven. Daarbij ben je immers op papier in gesprek met jezelf, dus je kunt jezelf ook vragen stellen.

  1. Schrijf tenminste één A4-tje vol over een lastige situatie die jou momenteel bezighoudt. Schrijf vrijuit, zonder rekening te houden met Schein’s soorten vragen.
  2. Lees je tekst door vanuit het eerste perspectief van Schein, d.w.z. je stelt jezelf verkennende vragen terwijl je je tekst terugleest. Vul je tekst aan met de antwoorden die je geeft.
  3. Herhaal stap 2 met het tweede perspectief (diagnose), d.w.z. je leest je totale tekst van stap 1 en 2 door en stelt jezelf daarbij vragen over wat er precies gebeurde, hoe betrokkenen -inclusief jijzelf- reageerden, etc. Ook de antwoorden op die vragen voeg je toe aan je tekst.
  4. Vervolgens stel je jezelf de vragen die hierboven genoemd staan bij het derde perspectief, t.w. vragen naar alternatieven. Je schrijft de antwoorden in trefwoorden op.
  5. Daarna lees je de complete tekst die ontstaan is (van stap 1 t/m 4) door met in je achterhoofd vragen uit het vierde perspectief van Schein, bijvoorbeeld: Past mijn gedrag bij wat ik wil bereiken? Is er iets in de manier waarop ik over deze situatie denk/schrijf dat ervoor zorgt dat mijn ‘probleem’ blijft bestaan? Wat belemmert mij?
  6. Tenslotte schrijf je op wat deze reflectie je gebracht heeft en wat je op basis hiervan wilt proberen qua denken en doen.