Berichten

foto: www.sxc.hu

De kunst van het vragen (IV): Hoebeke

Vragen zijn interventies. Ingrepen in een gesprek en in een gedachtegang – meer of minder sturend van aard, meer of minder bewust gesteld, maar toch ingrepen.

Er is veel geschreven over soorten vragen en wat ze doen. Schein onderscheidt vragen aan de hand van de richting die je ermee inzet: verkenning, diagnose, alternatieven of confrontatie. Dilts gebruikt vragen om mensen te laten zien wat ze niet zien: weglatingen, algemeenheden en vervormingen. Harrison noemt vijf niveaus van oppervlakte naar diepte.
Deze keer kijken we naar wat Luc Hoebeke erover te zeggen heeft.

Organisaties hebben geen problemen, maar de mensen die er werken wel. Dat stelt Luc Hoebeke, en daar is hij overigens niet uniek in. Wel in hoe hij ‘problemen’ defini­eert. Naar zijn overtuiging drukt zich in problemen een dilemma uit waar ‘verlangen’ en ‘vrees’ deel van uit maken. Een helper probeert dat dilemma met de ander door te werken en zal dus vooral vragen stellen die betrekking hebben op dat verlangen en de ermee gepaard gaande vrees.

Verlangen

  • –  iemands ambities of drive
  • –  wat iemand graag zou willen doen
  • –  hoe iemand zou willen zijn
  • –  wat iemand een ander zou willen zeggen

Vrees

  • –  waar iemand aan denkt bij dergelijke verlangens
  • –  wat iemand terughoudt
  • –  welke fantasieën iemand heeft
  • –  welke ervaringen de vrees en fantasieën voeden
  • –  wat iemand anderen heeft zien overkomen

De kunst is hier niet alleen om vragen te stellen, maar ook en vooral te luisteren naar hoe verlangen en vrees doorklinken in wat je als helper hoort. Interveniëren betekent hier ook dat je verwoordt wat je hoort.

Deze tekst is gebaseerd op de syllabus ‘Vragen staat vrij’ door Adrie van den Berge, met als basis o.a. een destijds ongepubliceerd artikel van Hoebeke. Adrie heeft allerlei materiaal ter beschikking gesteld en met zijn toestemming deel ik het hier graag met jullie; ik verander er soms wat aan, schrijf er een beetje omheen en geef er een reflectieoefening bij.

In eerdere stukjes kwamen ScheinDilts en Harrison aan de orde; deze serie over vragen zal in een volgend stukje afsluiten met inzichten van Edu Feltmann.
.

Reflectieoefening

    1. Vergeet even wat Hoebeke zegt. Schrijf vrijuit, vanuit je eigen gedachtegang en ongestructureerd, 3 A4-tjes vol over een een probleem of dilemma waar je momenteel mee zit. Schrijf snel en mijmerend, d.w.z. volg je gedachten en schrijf kritiekloos op wat er in je opkomt. Houd je pen in beweging. Als je blokkeert, herhaal je het laatste woord totdat er een nieuwe gedachte komt.
    2. Lees welke aspecten volgens Hoebeke horen bij ‘verlangen’. Lees daarna je tekst uit stap 1 door en markeer met een kleur alle woorden, passages of flarden die horen bij jouw verlangen in deze kwestie.
    3. Verdeel een blanco pagina in twee kolommen.
    4. Wat valt je op als je naar de fragmenten over verlangen kijkt (uit stap 2)? Schrijf daar iets over op in de linkerkolom.
    5. Lees welke aspecten volgens Hoebeke horen bij ‘vrees’. Lees daarna je tekst uit stap 1 nogmaals door en markeer met een andere kleur alle woorden of flarden die horen bij jouw vrees in deze kwestie.
    6. Wat valt je op als je naar deze fragmenten over vrees kijkt? Schrijf daar iets over op in de rechterkolom.
    7. Kijk rustig naar je kolommen: verlangen en vrees, naast elkaar. Is er iets waar je over door wilt mijmeren? Komt er een vraag bij je op? Schrijf erover door, op dezelfde mijmerende manier, bijvoorbeeld 10 minuten.
    8. “Heb je vragen lief. Leef je vragen, dan leef je misschien ongemerkt het antwoord in.” Dit is een fragment uit een gedicht van Rilke. Heeft dit advies je iets te zeggen over jouw verlangen en vrees? Schrijf er iets over op.
    9. Lees onderzoekend, zonder waarde-oordeel, terug wat je bij stap 7 en 8 geschreven hebt en maak dan de volgende open zinnen af met elk ongeveer 7 regels tekst:
      • Wat me opvalt…
      • Mijn verlangen gaat ten diepste over…
      • Mijn vrees gaat ten diepste over…
      • Wat me helpt…
      • Als ik me afvraag ‘hoe verder?’, dan…

 .

 

foto: www.sxc.hu

De kunst van het vragen (III): Harrison

Er valt veel te zeggen over soorten vragen en wat ze doen. Eerder bleek Schein vragen te onderscheiden aan de hand van de richting die je ermee opgaat: verkenning, diagnose, alternatieven of confrontatie. En Dilts gebruikt vragen om mensen te laten zien wat ze niet zien: weglatingen, algemeenheden en vervormingen.

Deze keer voor het voetlicht: Roger Harrison.

Harrison stelt dat je situaties of problemen kunt onderzoeken op vijf niveaus. Hij onderscheidt een schaal die loopt van ‘oppervlakte’ (relatief inhoudelijke kwesties) naar ‘diepte’ (relatief persoonlijke kwesties).

Van oppervlakte (het ‘wat’) naar diepte (het ‘wie’) gaat dat achtereenvolgens om:

    • inhoud, kennis, technische zaken
    • werkwijze, omgaan met tijd, methodes, agendering
    • overlegvormen en werkverbanden met anderen
    • gevoel en percepties ten opzichte van anderen (interpersoonlijk; wat speelt tussen mensen)
    • persoonlijke drijfveren en blokkades (intrapersoonlijk; wat speelt in mensen)

Met deze vijf niveaus zit je als het ware in een lift die naar verschillende etages gaat. Iemand ergens mee helpen houdt in dat je nagaat op welke diepte (of etage) een kwestie zich afspeelt en dat je daar dan een tijdje met de ander verblijft door te onderzoeken, te vragen, te denken.

Bij kwesties met een oppervlakte-karakter (het ‘wat’) kun je de ander helpen door kennis over te dragen of na te gaan waar die kennis te vinden is. Dit is een vorm van expert-advisering: de ander weet iets niet – of niet goed genoeg – en jij wel. Zo’n expert-advies komt trouwens pas aan de orde nadat je verkend hebt op welke diepte de kwestie speelt en de kern inderdaad op dat inhoudelijke ‘wat’-niveau blijkt te zitten.

Relatief persoonlijke kwesties (het ‘wie’) vragen niet om zo’n expertbenadering, maar eerder om tactieken zoals aangereikt door de al genoemde Schein.

Volgens Harrison zijn veel mensen geneigd hun kwestie of probleem in relatief inhoudelijke termen te verwoorden. De kunst is dus om verdiepende vragen te stellen, tenminste, als de ander daarin meegaat. Het heeft weinig zin om op een niveau te blijven waar de ander niet wil of kan zijn. Dat betekent dat je als vragensteller niet dieper moet gaan dan het niveau waarop je effectief aan de kwestie kunt werken. Harrison stelt dat veel helpers/adviseurs geneigd zijn om dieper te gaan omdat zoiets spannend is of omdat je dan pas meetelt. Niet doen, zegt hij, dat roept meer problemen op dan het oplost.

Een voorbeeld van de interventieniveaus van Harrison, met een paar vragen:

Iemand zit ermee dat zijn leidinggevende hem taken opdraagt die niet bij zijn eigenlijke werk horen. Hij zou willen dat dit ophoudt, maar vindt het lastig om dat ter sprake te brengen; dat staat zo ‘kruidenierig’.

  • – Inhoudelijke vragen:
    • Welke oneigenlijke taken draagt hij jou op?
    • Hoeveel tijd ben je ermee kwijt?
  • – Werkwijze:
    • Hoe gedetailleerd is je functiebeschrijving?
    • Hebben jullie afspraken over wat te doen met bijkomende taken?
  • – Overleg:
    • Hoe zit het met functioneringsgesprekken?
    • Hoe rapporteer je over je tijdsbesteding en prioriteiten?
  • – Relatie:
    • Hoe gaan jouw leidinggevende en jij met elkaar om?
    • Hoe voel je je in die relatie?
  • – Persoonlijk:
    • Waarom vind je het moeilijk om dit met je leidinggevende te bespreken?
    • Wat bedoel je met ‘kruidenierig’?

Je ziet dat je met deze vragen op de vijf niveaus steeds andere dingen belicht. De lift stopt als het ware op een lagere of hogere etage en daar zijn dan bijbehorende kanten van de kwestie te zien.

.

Tot zover Harrison. Wat mij erin aanspreekt, is de eenvoud van het beeld: steeds een stapje dieper en hoe je dan kijkt, bepaalt wat je ziet. Eenvoud mét een waarschuwing, want ik word me door dit model bewust van de impact van mijn vragen. Als ik stug doorvraag op één bepaald niveau kan ik het probleem daarmee onbedoeld vastzetten en denken: kennelijk is hier X aan de hand. Maar ik heb niet naar Y en Z gevraagd, dus die mogelijke probleemdefinities neem ik niet mee in mijn eigen gedachtegang en in het gesprek met de ander. Een valkuil om te vermijden! Plus dan nog de waarschuwing dat ik niet moet denken dat een dieper niveau per definitie beter is én dat ik niet dieper moet gaan dan het niveau waarop we effectief aan de kwestie kunnen werken. Tja. Een beetje realiteitszin kan geen kwaad 😉 Er zit veel in, in dit eenvoudige model.

.

Dit artikeltje is gebaseerd op ‘Choosing the depth of intervention’, in ‘The collected papers of Roger Harrison’ (McGraw Hill, 1995).

In volgende stukjes wil ik aandacht besteden aan Feltmann en Hoebeke. Schein en Dilts kwamen, zoals gezegd, eerder al aan de orde.

De teksten zijn grotendeels van de hand van Adrie van den Berge die gul allerlei materiaal ter beschikking heeft gesteld. Met zijn toestemming deel ik het hier graag met jullie; ik verander er soms wat aan, schrijf er een beetje omheen en geef er een reflectieoefening bij.

.

Reflectieoefening

    1. Verdeel een blad (of gebruik een paar bladen) in vijf rijen: voor elk van de niveaus van Harrison één rij. Beschrijf een lastige situatie die jou momenteel bezighoudt, door in elke rij dingen te noteren die je op dat niveau belangrijk vindt. Je kunt de niveaus één voor één van boven naar beneden aflopen, maar je kunt ook heen en weer springen afhankelijk van wat er bij je opkomt.Maak van de grenzen tussen de niveaus geen halszaak (soms lopen bijvoorbeeld inhoud en werkwijze door elkaar, en relatie en persoonlijk), zolang je maar afdaalt van het ‘wat’ naar het ‘wie’.

      Pauzeer af en toe, zodat je jezelf kunt afvragen of je genoteerd hebt wat van belang is op een bepaald niveau.

    2. Lees je tekst uit stap 1 door en ga innerlijk na op welk van de vijf niveaus de kern van de kwestie zit: waar zit nu écht jouw moeite?
    3. Kijk nog eens aandachtig naar wat je bij dat bepaalde niveau geschreven hebt. Welke kernvraag komt bij je op, nu je dat zo leest, d.w.z. wat is jouw leer-/onderzoeksvraag?
    4. Beantwoord deze vraag al schrijvend, mijmerend op papier. Houd je pen in beweging, schrijf snel en noteer kritiekloos wat er in je opkomt. Als je even blokkeert, herhaal je je kernvraag totdat er weer een nieuwe gedachte komt en dan schrijf je daar onmiddellijk mee door. Doe dit 10 minuten, onafgebroken.
    5. Lees onderzoekend, zonder waarde-oordeel, terug wat je bij stap 4 geschreven hebt en maak dan de volgende open zinnen af met elk ongeveer 7 regels tekst:
      • Wat ik hiermee echt wil zeggen, is…
      • Als ik kijk naar het ‘wat’ van mijn vraagstuk/probleem, valt me op…
      • Als ik kijk naar het ‘wie’ van mijn vraagstuk/probleem, valt me op…
      • Als een ander dit geschreven zou hebben, zou ik hem/haar…
      • Het lijkt me dat een oplossing gezocht kan worden in de richting van…
      • Wat ik wil proberen, is…

.

Pitstop voor adviseurs is een succes

Woensdag 25 september was ‘ie er weer: Pitstop, de reflectieworkshop voor organisatieadviseurs, aangeboden door Ooa (ook voor niet-leden). Deze keer hebben Tiene de Rek en ik de dag begeleid. Vanwege de flinke wachtlijst is een extra workshop ingelast in december en de planning voor volgend jaar wordt momenteel gemaakt.

Waarom is het zo’n waardevolle dag? Je krijgt zicht op waar je professioneel staat, waar je naartoe wilt en wat je daarvoor wilt doen. Het is een mogelijkheid om even bij te tanken en tijd te nemen voor onderhoud aan je profiel en je ontwikkeling.
Aan de hand van reflectieopdrachten neem je diverse thema’s uit je werkleven onder de loep. Je kiest daarbij zelf wat belangrijk voor je is. Denk bijvoorbeeld aan je professionele bagage, leerstijlen, portfolioplanning, tijdbesteding of persoonlijk leiderschap. De opdrachten zijn heel divers van aard, zodat er voor elk wat wils is.

Je werkt zowel individueel als in kleine groepen en deelnemers krijgen een actieve rol in het ondersteunen van elkaars reflecties.
Je oogst bestaat uit inzichten en voornemens op maat voor verdere persoonlijke en professionele ontwikkeling.

Planning
Pitstop wordt een paar keer per jaar georganiseerd. De eerstvolgende keer is op donderdag 12 december 2013; die dag wordt begeleid door Leike van Oss en Rosemarijn Koenen. Inmiddels is daar een wachtlijst voor; de planning voor volgend jaar zal binnenkort bekend worden.

Kosten
Ooa-leden € 150,- niet-leden € 190,- (excl. 21% btw).
De kosten zijn inclusief materiaal en het vergaderarrangement.

>> Info en aanmelden voor wachtlijst of vervolg: website Ooa

MOOC: gratis online Sioo-traject over organiseren en veranderen

MOOC staat voor Massive Open Online Course. In dit geval is het een innovatief online leertraject, aangeboden door Sioo, over organiseren en veranderen. Het gaat van start op 28 oktober en het is gratis.

De site van Sioo zegt erover:

“Je verkent verschillende aandachtsgebieden: je werkomgeving, je vak en jezelf als veranderaar. Je kijkt naar je organisatie en de vraagstukken die daarin spelen. Je legt verschillende opvattingen en manieren van organiseren en veranderen naast elkaar om beter zicht te krijgen op je vraagstuk en oplossingsrichtingen te ontdekken. Naast het doorlopende programma, zijn er themagroepen en ontstaan er vrije discussies.

De MOOC heeft een looptijd van zes weken. Per week is er een thema dat ongeveer acht uur studiebelasting vraagt. Een groot deel van de tijd is door de deelnemers zelf in te plannen. Soms zijn er synchrone activiteiten, in een kleine groep; een skypegesprek, chat of iets dergelijks.”

>> Info en aanmelden: Sioo