schrijftechniek:
woordgedicht, naamgedicht en alfabetgedicht
Bij een woordgedicht schrijf je een bepaald beginwoord verticaal aan de linkerkant van de bladzijde: elke letter op een volgende regel. Daarna vul je deze letters zo snel mogelijk aan met wat er in je opkomt als je denkt aan dat beginwoord. Dat kan een woord zijn, een kort zinnetje of een paar woorden die met dezelfde letter beginnen. Het woordgedicht hoeft niet te rijmen. Het kan bestaan uit losse woorden of uit woorden die een doorlopende zin vormen.
Je mag smokkelen, bijvoorbeeld als een S je doet denken Zweden of een X je doet denken aan Extra. Als je bij een bepaalde letter even geen associatie hebt, sla je deze over en kom je er aan het eind nog één keer bij terug. Komt er dan weer niets, dan laat je die regel gewoon open.
Doel van een woordgedicht is dat je snel en vrij je gedachten laat opborrelen, niet dat je een perfect en compleet rijtje of gedicht maakt. Je hoeft je associaties dan ook niet te begrijpen of te beoordelen; alle associaties doen mee.
Voorbeelden:
Lente
Languit liggen in het gras
Eendjes, eitjes, eigenwijsjes
Nestelen
Tegen de oever
En de zon op je huid
Zomer
Zomaar met m’n
Ogen dicht
Mijmeren
En soezen in de zon
Ranja met een rietje
Naamgedicht
Als je een woordgedicht maakt waarin het beginwoord een persoonsnaam is, dan heet het een naamgedicht.
Alfabetgedicht
Je kunt ook alle letters van het alfabet onder elkaar schrijven, elke letter op een regel, en ze daarna aanvullen. Dan heet het een alfabetgedicht. Dit is een mooie manier om uitgebreid bij een thema stil te staan: je kiest een thema dat je bezighoudt en daarna vul je alle letters van het alfabet aan met een woord of zinnetje dat bij je opkomt als je over dat thema nadenkt.
.
