Een alfabetgedicht is een mooie manier om ergens uitgebreid bij stil te staan. Deze keer combineer je het met een woordzoeker uit het Schrijfcafé (maar daar deden we er natuurlijk iets anders mee). Verrassend dus, want het is maar net wat je uitkiest én waar je oog op valt.

Veel plezier en inspiratie toegewenst!

Stap 1
Maak een alfabetgedicht met alles wat jou op dit moment bezighoudt. Een alfabetgedicht is een variant op het woordgedicht: je schrijft letters onder elkaar en maakt ze af met een woord of regel. In dit geval schrijf je de letters van het alfabet van A t/m Z elk op een regel en daarna vul je ze aan met wat er in je opkomt als antwoord op vragen als: wat houdt je bezig, wat (of wie) is op dit moment belangrijk of dierbaar voor je, wat vraag je je af, wat zou je willen?

Stap 2
Leg je alfabetgedicht even opzij.
Kijk rustig naar deze woordzoeker. Maak een lijstje van de eerste 7 woorden die je in de woordzoeker ziet (horizontaal, verticaal, diagonaal, achterstevoren… het kan allemaal).

Stap 3
Prik met je ogen dicht één regel uit je alfabetgedicht van stap 1. Daarna kijk je naar je lijstje uit stap 2: welk woord uit je lijstje past hierbij? Je hebt nu dus twee ‘dingen’: één regel uit je alfabetgedicht + één woord uit je woordzoekerlijstje. Wat hebben deze twee dingen met elkaar te maken? Laat het ene iets zien over het andere? Ga niet zitten verzinnen, maar begin meteen met schrijven en mijmer hierover in een sprintje van 10 minuten.

Stap 4
Lees je sprintje uit stap 3 (hardop) terug. Kies een woord of fragment daaruit dat je mooi en waar vindt en ga daar dieper op in met een sprintje van 5 minuten.

Stap 5
Lees je sprintje uit stap 4 (hardop) terug. Wat is het dat je wilt koesteren, nu je dit gezien hebt? Probeer dit uit te drukken in 1 of 2 woorden en maak daarmee een woordgedicht als afronding van deze oefening.

Variatie/uitbreiding

  • Maak stap 3 bewuster en gerichter: prik niet met je ogen dicht een regel uit je alfabetgedicht, maar kies bewust een regel die eruit springt.
  • Maak stap 3 verrassender: prik beide ‘dingen’ met je ogen dicht, d.w.z. zowel de regel uit je alfabetgedicht als het woord uit je lijstje zijn een verrassing.
  • Breid stap 5 uit: lees je woordgedicht (hardop) terug, kies een regel die eruit springt en schrijf daarover door.
  • Gebruik stap 5 als zoeklicht: prik met je ogen dicht een regel uit je alfabetgedicht uit stap 1 en vraag jezelf al schrijvend af wat jouw woord uit stap 5 daarmee te maken heeft.

Hergebruik van deze oefening is vrij, mits met bronvermelding:
Sarine Zijderveld, www.papierenspiegel.nl

Doe je iets met deze oefening? Zelf of samen met anderen? Laat het me weten, ik hoor het graag.

Nodig
– pen en papier
– kookwekker/timer

Hoe te schrijven: sprintje
– schrijf zo snel als je kunt
– volg de gedachten die opkomen
– blijf doorschrijven
– censureer en corrigeer niets
– let niet op taal- en schrijffouten
– als je vastloopt: herhaal het laatste woord totdat er weer een nieuwe gedachte komt