Geniet je ook zo van het voorjaar? Bomen die uitlopen, planten in bloei, lammetjes en jonge eendjes… een vruchtbare tijd is het. Er zijn veel manieren om vrucht te dragen, iets voort te brengen. Niet altijd een makkelijk onderwerp, maar wel heel waardevol en wezenlijk. Daarom deze oefening van de maand.

Alle goeds en veel inspiratie toegewenst met deze oefening!

Stap 1
Maak een lijstje met associaties, gedachten, gevoelens etc. die jij hebt bij het thema ‘vrucht dragen’. Leg het daarna weg, vergeet het als het ware en ga door met stap 2.

Stap 2
Lees de vragen hieronder langzaam en hardop aan jezelf voor. Bemerk ondertussen wat ze in jou oproepen, zonder over je reacties te oordelen.

  1. Waarin/waarmee/hoe draag jij vrucht?
  2. Wat zeggen anderen als aan hen gevraagd wordt wat jij achterlaat, wat jij brengt, wat jij geeft aan anderen?
  3. Wie ben jij dankbaar voor vruchten die hij/zij aan jou gegeven heeft, voor wat hij/zij aan jou achtergelaten heeft?
  4. Aan welke vruchten in jouw leven heb jij hard gewerkt, waar heb je je best voor gedaan (of moeten doen, of doe je nog steeds je best)?
  5. Voor welke vruchten in jouw leven ben jij in het bijzonder dankbaar? Wat merken anderen van die vruchten?
  6. Zijn er vruchten in jouw leven die je niet (of niet genoeg) benut? Niet (of niet genoeg) koestert en aandacht geeft?
  7. Bij ‘vruchtbaarheid’ denken we al snel aan het wel of niet krijgen van kinderen, maar er zijn veel meer manieren om vruchtbaar te zijn. Wat doet dit onderscheid jou?

Stap 3
Kies een vraag uit het lijstje bij stap 2 waar je dieper op in wilt gaan: doe dat mijmerend op papier in een sprintje van 7 minuten.

Stap 4
Lees je sprintje uit stap 3 (hardop) terug en onderstreep daarin (een deel van) één zin die je mooi en waar vindt. Ga daar dieper op in met een sprintje van 5 minuten.

Stap 5
Pak je lijstje associaties uit stap 1 er weer bij. Prik met je ogen dicht één associatie uit je lijstje en schrijf vervolgens een sprintje van 5 minuten over de vraag: wat heeft deze associatie te maken met wat je zojuist schreef in stap 3 en 4?

Stap 6
Lees je sprintje uit stap 5 (hardop) terug. Onderstreep daarin (delen van) zinnen die je mooi en waar vindt.

Stap 7
Maak als afronding van deze oefening een rondeel. Gebruik daarin (delen van) de zinnen die je in stap 4 en 6 hebt onderstreept.

Variatie/verdieping

  • Kies in stap 3 een andere vraag.
  • Prik in stap 5 een andere associatie.
  • Kies in stap 5 bewust één associatie, d.w.z. niet prikken met je ogen dicht, maar gericht een associatie kiezen die jij op dat moment van betekenis vindt.
  • Schrijf alle onderstreepte (delen van) zinnen uit deze oefening onder elkaar. Wat voor beeld komt daaruit naar voren? Waar gaat dit geheel nu echt over? Schrijf daarover door.

Hergebruik van deze oefening is vrij, mits met bronvermelding:
Sarine Zijderveld, www.papierenspiegel.nl
Foto: TheOtherKev, pixabay.com

Doe je iets met deze oefening? Zelf of samen met anderen? Laat het me weten, ik hoor het graag.

Nodig
– pen en papier
– kookwekker/timer

Hoe te schrijven: sprintje
– schrijf zo snel als je kunt
– volg de gedachten die opkomen
– blijf doorschrijven
– censureer en corrigeer niets
– let niet op taal- en schrijffouten
– als je vastloopt: herhaal het laatste woord totdat er weer een nieuwe gedachte komt